Minder dan helft Top-50 pensioenfondsen verslaat verplichtingen in 2014

In 2014 is het pensioenfonds ABN Amro als eerste gelukt om over de afgelopen acht jaar weer een positief relatief rendement te boeken. Sinds de invoering van het FTK in 2007 meet First Pensions in hoeverre de beleggingsrendementen de waardeontwikkeling van de pensioenverplichtingen weten bij te houden. Door goede resultaten in 2014 realiseerde pf. ABN Amro het om als eerste pensioenfonds over de afgelopen acht jaar (2007-2014) een positief relatief rendement te boeken van gemiddeld +0,7% per jaar. Daarentegen verloren de 50 grootste pensioenfondsen gemiddeld gezien jaarlijks 2,3% ten opzichte van hun verplichtingen.

Hoge beleggingsrendementen tot ruim 30% zijn mooi, toch zijn deze rendementen voor pensioenfondsen niet altijd voldoende. In 2014 versloeg uiteindelijk iets minder dan de helft van de Nederlandse pensioenfondsen zijn verplichtingen. Vanwege de gedaalde rente steeg de waarde van de verplichtingen vaak nog harder dan het beleggingsrendement met als gevolg lagere dekkingsgraden. Eind van de zomer van 2015 werden al de beleggingsrendementen van pensioenfondsen in de media gepubliceerd, nu komt First Pensions op basis van de jaarverslagen van de 50 grootste Nederlandse pensioenfondsen met de meest rechtvaardige benadering: het relatieve rendement.

De beleggingsrendementen over 2014 waren allemaal positief. De pensioenfondsen in de top 50 behaalden een beleggingsrendement van tussen de 10,9% en 34,3%. Toch vertelt het absolute rendement slechts het halve verhaal voor een pensioenfonds. Voor een pensioenfonds is namelijk ook de waardeontwikkeling van de verplichtingen belangrijk. En daar heeft de rentecurve een grote invloed op.

Wanneer de rentes stijgen heeft dit een negatief effect op de beleggingsrendementen, maar daalt tegelijkertijd ook de contante waarde van de verplichtingen. Andersom geldt dit ook: een daling van de rente is goed voor de waarde van de obligatieportefeuille, maar zorgt vaak nog voor een hardere stijging aan de verplichtingenkant. Juist dit scenario ontvouwde zich in 2014.

Voor pensioenfondsen is het daarom betekenisvoller om naar het relatieve rendement te kijken. Het relatieve rendement bestaat uit het verschil tussen het beleggingsrendement en het rendement op de verplichtingen. Voor het rendement van de verplichtingen wordt enkel het effect vanuit de rentecurve op de verplichtingen meegenomen (dus geen langleven etc.), omdat dit effect ook vanuit de beleggingen gerealiseerd kan worden. De rentecurve geeft twee effecten op de waarde van de verplichtingen: de jaarlijkse rentetoevoeging en het waarde-effect vanuit een stijging of daling van de rentecurve.

Fonds
Relatief rendement
1. ING
10,7%
2. Detailhandel
10,0%
3. ABN Amro
8,6%
4. Wonen
6,4%
5. IBM
5,8%

Tabel 1.Top 5 relatief rendement 2014  

Over 2014 liepen de relatieve rendementen van de 50 grootste Nederlandse pensioenfondsen sterk uiteen. Het best presterende pensioenfonds behaalde een relatief rendement van 10,7%, het minst presterende pensioenfonds noteerde -12,0%. Uiteindelijk bedroeg het gemiddelde relatieve rendement in 2014 voor de 50 grootste pensioenfondsen -0,7%. In totaal behaalden afgelopen jaar 23 van de 50 pensioenfondsen een positief relatief rendement; net iets minder dan de helft.

Afdekking renterisico zeer bepalend voor (relatief) rendement

Ondanks dat er meerdere onderdelen verantwoordelijk zijn voor een positief dan wel negatief relatief rendement blijkt met name één factor in 2014 bepalend te zijn geweest voor de relatieve performance van pensioenfondsen: de mate van rente-afdekking. Over het algemeen ligt de duratie (lees: rentegevoeligheid) van de beleggingsportefeuille veel lager dan de verplichtingenkant. Door gebruik te maken van rentederivaten kan de duratie van beide kanten in evenwicht worden gebracht, matching genaamd. Het pensioenfonds kan daarmee besluiten om het renterisico af te dekken.

Uit onderstaande grafiek valt duidelijk af te lezen dat een hoge hedgeratio (rente-afdekking) in 2014 samenviel met een positief (relatief) rendement. Pensioenfondsen die het afgelopen jaar hun renterisico voor een aanzienlijk deel afdekten zagen de waarde van hun obligatieportefeuilles net zo hard meestijgen met de contante waarde van de pensioenverplichtingen. Gecombineerd met de stijgende aandelenmarkten in 2014 leidde dit voor deze fondsen vaak tot een positief relatief rendement.

RelRendementVsHedgeratio2014v2Grafiek 1. Relatief rendement van grootste 50 Nederlandse pensioenfondsen versus hedgeratio. (Bron: jaarverslagen uit Top 50 universum)

Ondanks de historisch lage rente blijft het raadzaam oog te houden voor het risico van korte termijn volatiliteit in de rentestanden. Rentestijgingen gevolgd door –dalingen kunnen forse schommelingen in de dekkingsgraden veroorzaken. Daarbij is het vanuit het oogpunt van risicobeheer belangrijk niet alleen de vraag te stellen wanneer de rente gaat stijgen maar ook óf deze überhaupt gaat stijgen, en zo ja voor welke looptijden. Bij beantwoording van deze vraag wordt dan o.a. gekeken naar: is de Europese Centrale Bank de veroorzaker van de huidige lage rentestanden? Zijn er andere factoren aan te wijzen voor de aanhoudende daling van de rente, zoals het wereldwijde spaaroverschot (‘global savings glut’), lagere productiviteitsgroei en demografische veranderingen? Zijn dit factoren die niet noodzakelijk van tijdelijk aard hoeven te zijn met andere woorden, kan het uitgesloten worden dat de rente een langere periode op een laag niveau blijft?

Pensioenfonds ABN Amro de crisis te boven

First Pensions onderzoekt niet alleen het relatieve rendement over het afgelopen jaar, maar kijkt ook naar het resultaat sinds de invoering van het FTK begin 2007. Vanaf die datum werden alle pensioenverplichtingen gewaardeerd tegen dezelfde rentecurve en is deze vergelijking mogelijk. Dit jaar is ABN Amro het eerste pensioenfonds dat over de afgelopen acht jaar (2007-2014) cumulatief gezien waarde weet toe te voegen met de beleggingen ten opzichte van de verplichtingen. Reden voor dit succes is dat het pensioenfonds efficiënt balansbeheer weet toe te passen. Recent gaf het bestuur van het pensioenfonds in het FD nog aan puur de beleggingen te willen laten meebewegen met de verplichtingen. Daarnaast belegt het fonds vooral passief omdat het niet de illusie zegt te hebben dat het de markten kan voorspellen. Deze passieve houding heeft ook nog eens relatief lage kosten tot gevolg.

Sinds de financiële crisis van 2008 en de daaropvolgende eurocrisis was het voor veel pensioenfondsen zeer moeilijk om hun verplichtingen te verslaan. Oorzaken voor de achterstand vanuit de beleggingen zijn de tegenvallende rendementen in de crisisjaren en de steeds verder gedaalde rente. Doordat pensioenfondsen het renterisico vaak niet volledig afdekken zorgde de rentedaling voor een verlies ten opzichte van de verplichtingen. Er zijn echter wel grote verschillen tussen de pensioenfondsen onderling, zoals ook hier boven te zien is.

Tabel 2 toont de vijf pensioenfondsen van de top 50 die het beste relatieve rendement hebben weten te realiseren over de afgelopen acht jaar. De rendementen zijn daarbij geannualiseerde rendementen. Dit betekent dat achter pf. ABN AMRO verschillende pensioenfondsen door positieve relatieve rendementen bezig zijn hun achterstand in te halen. Daarmee hebben ze echter wel beter dan elk van de andere pensioenfondsen uit de top 50 het rendement van de verplichtingen weten bij te houden. Het gemiddelde jaarlijkse relatieve rendement over de afgelopen acht jaar ligt voor de 50 grootste pensioenfondsen tussen de +0,7% en de -6,5% in. Voor de 50 fondsen is het gemiddelde daarbij -2,3%. Jaarlijks is er daarmee gemiddeld 2,3% te weinig verdiend op de beleggingen.

Fonds
Beleggingsrendement
Rendement verplichtingen
Relatief rendement
1. ABN Amro
9,5%
8,8%
0,7%
2. Detailhandel
9,3%
9,5%
-0,2%
3. Zorgverzekeraars
8,5%
9,1%
-0,6%
4. Wonen
9,1%
9,7%
-0,6%
5. Medisch Specialisten
8,2%
8,8%
-0,6%

Tabel 2. Top 5 relatief rendement over 2007-2014 van de 50 grootste pensioenfondsen

Het relatieve rendement blijkt de essentiële factor voor de ontwikkeling van de financiële gezondheid van een pensioenfonds. Om over een bepaalde periode de totale financiële ontwikkeling van een pensioenfonds te kunnen beoordelen is een uitgebreidere analyse benodigd. Een analyse waarin ook elementen zoals de kosten van langleven, het premieresultaat, etc. worden meegenomen die ieder weer hun eigen effect hebben op de dekkingsgraadontwikkeling van het pensioenfonds.

Leave a Reply